Mesolithicum of de middensteentijd

De middensteentijd begint na afloop van de laatste ijstijd ongeveer 10.500 voor Christus. Deze periode eindigt wanneer een samenleving gaat leven van landbouw en veeteelt en later nog verder gaat met visserij en jagen. Vondsten uit die tijd tonen aan dat de technieken voor het maken van de gebruiksvoorwerpen steeds verfijnder werden. Uit de vondsten bleek ook nog dat de mensen uit die tijd waarschijnlijk rondtrokken, sporen van nederzettingen werden bijna niet gevonden.

De term mesolithicum wordt voor de zuidelijke en oost Europese landen meestal niet gebruik, omdat daar eigenlijk niet van een ijstijd sprake was. Veel archeologen zien voor die landen het mesolithicum als verlenging van het oudste stenen tijdperk het paleolithicum.

Het mesolithicum verspreidde zich heel langzaam over Europa, omdat de landbouw zich ook geleidelijk over Europa verspreidde. Sporen van de mesolithische tijd zijn in Nederland gevonden bij opgravingen bij Swifterband en het Hoetmansmeer. Bekend zijn de opgravingen van het bootje van Pesse in 1955, een soort kano die waarschijnlijk uit 8200 en 7600 voor Chr stamt, en het mannetje van Willemstad. Dit was een eikenhouten menselijk beeldje. De oudheid van het hout konden ze middels radiokoolstofdatering min of meer vastleggen. Het beeldje werd in 1968 in Willemstad gevonden en is van ongeveer 5.000 jaar oud.

In het noorden van Europa hield de middensteentijd veel langer aan, zelfs tot in de neolithicum tijd. In Noordoost- Europa en tot in Siberiƫ duurde het middensteentijdperk zelfs tot aan de bronstijd. Mede door de klimatologische omstandigheden werd het nieuwe stenentijdperk min of meer overgeslagen.